De snelle herkenning veroorzaakt eerder het gevoel van een comedyclub dan van diepgaande poëzie

De neiging om het vreemde niet direct te omarmen ontwikkelt zich vroeg. Een kindje dat voor het eerst spinazie wordt voorgeschoteld of die gesust wordt met de verkeerde knuffel zal geen genoegen nemen met deze nieuwigheden. Nee, we willen wat we kennen. Hoe erg we ook ons best doen om ons te onderscheiden van de massa, de eenduidigheid geniet toch vaak de meeste populariteit. We checken allemaal in op dezelfde hotspots en kwamen we een paar jaar geleden nog onze sociale kring in Zuidoost-Azië tegen is dat nu het geval in Centraal-Amerika. Het stelt gerust dat we allemaal dezelfde dingen meemaken.                                                       

Poëzie werkt deels op dezelfde manier. Een dichter is iemand die de wereld intens beleeft en in staat is om een bepaalde ervaring met creatieve precisie om te zetten in woorden. Via die woorden transformeert hij of zij het fysieke op zo’n manier dat het voor de lezer mogelijk maakt om dezelfde ervaring mentaal te beleven. Op een zekere hoogte wordt er begrip en herkenning gecreëerd in de overdracht. Maar tegelijkertijd zet poëzie wèl aan tot denken. Doorgaans verwerkt de dichter diens boodschap op zo’n manier dat het de gemoederen in beweging brengt. Met haar literaire opruiing ontstelt poëzie. Door de lezer een vervreemdend perspectief te bieden leren we over onszelf, maar vooral ook over de ander.

De ander en het vervreemdende lijken steeds minder belangrijk. Spoken word  avonden trekken na een lange rustige periode ineens weer groot publiek. Dit is natuurlijk fantastisch! Maar ondanks de grote variatie tussen de sprekers wordt er vooral gereageerd op de dichters die met toegankelijke verzen op komen draven. De snelle herkenning veroorzaakt eerder het gevoel van een comedyclub dan van diepgaande, ontwakende poëzie. Het entertaint wel, dat zeker. Bovendien voelen we ons gerustgesteld in de saamhorigheid tussen publiek en spreker, evenals in het uniforme gelach of gejank met onze mede-toehoorders. Maar waarom is dat zo? Koesteren we het vertrouwde zo erg dat we het andere langzaam uit ons bestaan verbannen? Zijn we dan niet schuldig aan een intense eigenliefde?                              

Wanneer zelfs de opruiers onder ons genoegen nemen met hapklare herkenning verliezen we het zicht op de wereld om ons heen. Langzaam verdrinken we dan in een zee van eigengeilerij, waar eb en tij niets te zeggen hebben want het water is altijd vlak. Laten we verder kijken dan onze reflectie en op zoek gaan naar verbredende inzichten.